voor·uit

bijwoord: naar voren, voorwaarts

De enige reden dat ik terugkijk, is omdat ik Vooruit niet kan vinden. Straks zijn alle herinneringen vervaagt, alle verhalen al verteld, het jaar alweer verstreken. 

Vooruit, ik heb je nodig

Ik zoek haar op de dagen dat het licht is en hoop dat ze om de hoek wacht. Vooruit en ik helpen elkaar, zodat ik durf mijn ogen te sluiten, ik door het licht enkel roze en oranje zie en dat dat niets uitmaakt. 

Zodat de wereld om mij heen even oplost, er geen maatregelen zijn, geen twijfels meer, niet meer hoeven kiezen en keuzes niet meer belangrijk, we alles kapot kunnen relativeren en zorgeloos bestaan.

Vooruit, laat je zien, waai mijn haar door de war, plan een dagje vrij in, klap de terrastafels uit en haal de doeken van de kunstwerken.

Vooruit, ik mis je. 

diepte

en straks begint de lente weer en dan ga ik eindelijk loslaten. zie jouw reflectie niet meer in het water – onze voetstappen onherkenbaar.

ik knijp mijn handen dicht, verdring de gedachte dat ik wil dat je me vasthoud.

vervaag. vervaag. vervaag tot we oplossen in de diepte.

de zon zal ook wel weer gaan schijnen

de zon zal ook wel weer gaan schijnen en voor we het weten is het weer juni fietsen we met een spijkerjas over het stuur door de stad knijpen we ons ogen samen tegen de glinstering in het water halen we frambozenijs bij dat ene tentje in die wijk waar we vroeger ook kwamen zitten we op kleedjes in het park de zonsondergang steeds later steeds mooier krijgen de dagen weer kleur en vinden we vrede zonder daar moeite voor te doen.

23:41

ontdekte het park in de lente,
zag de zon in het water glinsteren,
de bloemen in de berm, we dachten
dat het wel goed zat.

kocht een blauwe regenjas,
liet wat wind mij niet tegen houden,
de herfst was onstuimig, maar
maakte ons stiller.

het daglicht nu schaars,
gezichten in sjaals verborgen,
houden we stevig vast aan
dat ene rondje buiten.

de stad in de nacht, de
lampjes in de straten, een
laatste keer naar buiten,


we hielden vol,
zeg me, waar kan ik nog heen.


– notes

1
We luisterde wel, maar soms moesten we voelen dat we nog bestonden. 
De momenten dat we zuchtte en dat geen opluchting gaf. 

2
Wil het liefste in de stilte oplossen, naar de zee luisteren en even niets hoeven.
Dat iemand mijn hand vast houd maar niets van mij verwacht.

3
We mochten allebei gebroken zijn.
En dat is zoveel fijner dan alleen gebroken zijn. 



17 | 21

het gaat al weken niet goed, alles glipt door mijn vingers geen, de grip verloren.

maar als je vraagt hoe het is zal ik niet eerlijk zijn, dan gaat het goed, lijkt ik alles onder controle te hebben.

ik kan niet meer vluchten, niks meer bij elkaar rapen, maar zeg dat liever niet hardop.