niet te lang stil staan.

vouw de verhuisdozen dicht.
probeer niet te lang stil te staan bij afscheid nemen.
lach nog een keer om dat verhaal van vorige zomer.
fiets voor de laatste keer in de avondzon.
maak ruimte voor nieuwe gewoontes.
zie elkaar nog een keer voor je gaat.
voel dat het leuk was.
vind de moed om te gaan.

toch houd je ervan – dat niets ooit hetzelfde is.

(niet) gaan

Het fluitekruid wat tussen de treinrails groeit. Nog altijd naar huis willen ondanks dat er niemand meer is. Het licht bij de stadsschouwburg dat is gedempt. Iets niet vertellen is hetzelfde als liegen. Om je heen kijken en nog altijd paarse bloemen vinden aan de waterkant. De zon schijnt door de druppelende takken heen. De stilte in mijn hoofd. Beseffen dat misschien alles wel prima is en dat prima genoeg kan zijn. Dat je al maanden lang moeite hebt met ademen. Soms sta ik met mijn armen gespreid in het park. Is groen nog altijd mijn favoriete kleur. En te midden van alle herinneringen vind ik iets van geluk. Iets van melancholie. Iets van willen gaan ondanks het soms te mooi is om te laten gaan. 

In de verte hoor ik het rommelen. Het zal altijd een beetje rommelen als je durft te luisteren. 

woensdagnacht

het open veld voelt als gisterenavond. met mijn armen in de lucht, dansend in het donker. voelen alsof alles weer mogelijk is. de zwaartekracht die licht voelde tussen de mensen. als ik iets heb geleerd afgelopen jaar is het hoe ik een bierflesje kan openen met een tweede biertje en dat het eenzame gevoel niet altijd hoeft te blijven.

donkerblauw + oranje

sla linksaf. de donkerblauwe lucht. het silhouette van de stad om mij heen. de koude lucht van het fietsen. knipperlichten op oranje. geen haast hebben. vinden dat dit is hoe augustus zou moeten voelen. stiekem hopen dat hij niet terugbelt. stilstaan en naar de sterren kijken. stilstaan en mij veilig voelen.

hoogte

als je er recht onder staat lijkt de toren ontklimbaar hoog. van de verte stelt het niet veel voor. lijken de touwen op ooghoogte te hangen. vraag ik me af waarom ik hoogtevrees had.

als je er midden in zit, weet je niet hoe diep het water is. maar nu hoor ik het water weer stromen, stap ik er overheen. de stroming verwaarloosbaar. als je er midden in zit lijkt het zo belangrijk, terwijl dat achteraf wel meevalt. 

dat hoopte ik teminste. maar de toren voelde zo hoog, vrij, verlang ik om weer te vallen. wil ik laten gaan. wil ik drijven met mijn oren onder water. het wat horen gonzen. voel ik me bevangen. verwonderd door waar we staan en hoe vrij de hoogte voelde. 

zeg me.

zeg me dat als de zon ondergaat dat je ook voelt dat de dag weer is verstreken en dat je mijn hand vastpakt of je hoofd op mijn schouder legt of nog snel de trap af wilt rennen of je ogen sluit. zeg me dat als de zon ondergaat dat het voor jou hetzelfde voelt. dat de warmte zakt en de laatste oranje zonnestralen je favoriet zijn. dat je ook wenst dat het moment voor eeuwig duurt maar dat de schoonheid zit in het tijdelijke, het onverwachte. de verandering van de kleuren. je ogen die lichter kleuren. een tevreden blik. zeg me dat als de zon ondergaat dat je ook hoopt dat we het moment kunnen vangen. dat we het moment in een lege jampot kunnen stoppen en op het nachtkastje bewaren, zodat als ik ga slapen ik niet voel dat je mijn hand hebt losgelaten.

– ik weet het ook niet meer

Ik ben gestopt met schrijven want ik weet het niet meer. Op de terugweg sla ik te vroeg linksaf en sta stil met mijn fiets bij het water. Ik mis iets of iemand en ik weet niet waarom. Het verlangen naar een plek die niets meer zou moeten betekenen. Ik vraag me af waarom ik hier steeds terug kom terwijl ik weet dat er niks te vinden is. De schermer tussen de bomen door en de avond nog zo lang licht. Ik sta stil (bij het water) en ik weet het ook niet meer.