hoogte

als je er recht onder staat lijkt de toren ontklimbaar hoog. van de verte stelt het niet veel voor. lijken de touwen op ooghoogte te hangen. vraag ik me af waarom ik hoogtevrees had.

als je er midden in zit, weet je niet hoe diep het water is. maar nu hoor ik het water weer stromen, stap ik er overheen. de stroming verwaarloosbaar. als je er midden in zit lijkt het zo belangrijk, terwijl dat achteraf wel meevalt. 

dat hoopte ik teminste. maar de toren voelde zo hoog, vrij, verlang ik om weer te vallen. wil ik laten gaan. wil ik drijven met mijn oren onder water. het wat horen gonzen. voel ik me bevangen. verwonderd door waar we staan en hoe vrij de hoogte voelde. 

zeg me.

zeg me dat als de zon ondergaat dat je ook voelt dat de dag weer is verstreken en dat je mijn hand vastpakt of je hoofd op mijn schouder legt of nog snel de trap af wilt rennen of je ogen sluit. zeg me dat als de zon ondergaat dat het voor jou hetzelfde voelt. dat de warmte zakt en de laatste oranje zonnestralen je favoriet zijn. dat je ook wenst dat het moment voor eeuwig duurt maar dat de schoonheid zit in het tijdelijke, het onverwachte. de verandering van de kleuren. je ogen die lichter kleuren. een tevreden blik. zeg me dat als de zon ondergaat dat je ook hoopt dat we het moment kunnen vangen. dat we het moment in een lege jampot kunnen stoppen en op het nachtkastje bewaren, zodat als ik ga slapen ik niet voel dat je mijn hand hebt losgelaten.

– ik weet het ook niet meer

Ik ben gestopt met schrijven want ik weet het niet meer. Op de terugweg sla ik te vroeg linksaf en sta stil met mijn fiets bij het water. Ik mis iets of iemand en ik weet niet waarom. Het verlangen naar een plek die niets meer zou moeten betekenen. Ik vraag me af waarom ik hier steeds terug kom terwijl ik weet dat er niks te vinden is. De schermer tussen de bomen door en de avond nog zo lang licht. Ik sta stil (bij het water) en ik weet het ook niet meer. 

leegte

het maakt niet uit hoe vaak ik langs het bankje loop – hij is altijd leeg. ik weet nog precies hoe het eruit zag, maar het maakt niet uit hoevaak ik je daar nog zie zitten. de leegte wint van mijn herinneringen.
ik weet nog precies wat je tegen me zij waardoor ik geloofde dat je er nog eens terug zou komen. 

thuis

het is juni en de zon draait eindelijk over het huis heen. zet de deur op de klink, probeer weer diep adem te halen. zo vaak willen gaan en elke dag weer thuis komen. naar de sterren kijken en weten dat je nooit alleen bent. laten we naar buiten gaan. de warmte. de aanraking. de mogelijkheid. kijk naar de bomenrij tot je hem kan dromen en durf dan ook weer te dromen.

door heen.

– er door heen zitten en door bijten. de binnenkant van je wang voor de vijftiende dag op rij kapot kauwen. je afvragen hoe het voelde toen het geen pijn deed. er door heen zitten en blijven zitten.
vinden dat dit het lastigste is dat je ooit zal moeten doen.


maandagochtend

de koffiemok vloog met een knal tegen de ijzeren container aan. het witte aardewerk spatte uiteen op de grond. we wilde dingen breken en het voelde goed. we staarde naar de oranje container. een gevuld bierflesje in de ene hand, de wanhoop in de andere. we wilde groter zijn, sterker zijn. voor een moment hadden wij de controle. bepaalde wij wat we wel en niet mochten doen. op de binnenplaats konden we ongestoord de regels breken.

steeds vaker greep ik mis als ik koffie maakte in de ochtend. de winkels dicht, alle kopjes kapotgesmeten en iedere ochtend weer een uitdaging.