zomerjas

de deur zwaait open en morgen gaan we voor het eerst zwemmen. er hangt verwondering in de lucht. we hebben het tot hier weer gehaald. de pollen prikken in onze ogen maar toch blijven we gewoon buiten zitten. alles gaat weer open en we herkennen hoe het voelt om aan de lente te beginnen. ik pak mijn zomerjas en voel in mijn zakken – maar sta opeens met lege handen in de gang. vorig jaar was er nog de verwachting dat ik jou mijn favoriete plek in de stad zou laten zien. dat we daar tot laat zouden zitten. dat we daarna overtuigd waren dat dit niet tijdelijk was. maar mijn favoriete plek werd een wachthalte. ik pulk aan de voering van mijn zakken en ik geef de pollen de schuld van mijn tranen.

onleesbaar

bij mij hoef je niet vaak tussen de regels door te lezen. eerlijkheid duurt bij mij het kortste en zeg liever alles dan dat ik de woorden bij mij draag. alleen bij jou blijf ik maar schrijven, en niks versturen, vul ik de regels tot ze bijna onleesbaar zijn omdat we weten van elkaar hoe het zit maar dat het nog steeds niet makkelijker maakt.

het vallen van de avond

de avond weet nog steeds hoe hij moet vallen en ik vang hem steeds gemakkelijker op. in het donker voel ik mij niet langer alleen omdat ik niet meer wegkijk als iemand naar mij kijkt. er komt een dag dat ik niet enkel geloof dat er liefde komt maar dat ik echt samen met iemand de avond in val en niet meer alleen opsta.

geluk

het duurde lang voordat ik was overtuigd dat ik kon helen en nu trillen mijn handen niet meer als ik bang ben. ik reik weer voor wat ik wil, durf te vragen – weer op te staan en door te gaan. want vandaag is er ook voor mij en dus leef ik weer – overdenken kan altijd nog. er is nog zoveel moois en in de plantenbakken bloeien nieuwe bloemen en het onbekende is een nieuwe kans dus laten we in godsnaam gewoon lachen. ik laat mijn hoofd weer naar achter vallen en glimlach want ik ben nog jong en dus heb ik eigenlijk niks te vrezen. ik zocht lang naar de woorden van geluk maar ik vind ze in de stilte – in de ruimte die ik in mag vullen.

‘wij’

ik denk dat ik nu pas echt ben begonnen met het loslaten van het idee dat er een wij bestond. dat ik geloofde dat de tijd ons wel bij elkaar zou brengen. dat er uiteindelijk een we zou bestaan – en niet enkel het kruizen van onze paden.

want als we elkaar zien realiseer ik mij hoe het was. ik denk dat ik nu pas echt weet wat ik wil – maar er valt niks meer te willen. de lente begint maar wij eindigen en het is zo verdomd koud zonder je.

beste

soms denk ik dat we uit hetzelfde hout zijn gesneden en dat als de wind waait wij dezelfde kant op waaien. dat als het middernacht is we elkaar vinden en dat als we samen zijn we vergeten dat we liever alleen slapen. als de zon schijnt dan kijken we elkaar in de ogen aan en lachen en wensen elkaar het beste toe. maar als de zomer voorbij is ben ik bang dat we ons eigen weg gaan – en dat dat niet dezelfde kant op is omdat we elkaar het beste wensen.

ik luister

ik wil luisteren naar mijn hart maar ik kan haar niet verstaan. ze mompelt en slikt de woorden in. het waait en ze wuift de woorden weg. ik wil weten wat ze zegt maar ik spreek de taal niet – en ik wil graag leren haar taal te spreken. ik versta de vogels, ik hoor ze iedere ochtend en ze zijn vertrouwd maar ik weet niet of ik moet blijven. – ik luister en ik twijfel.